ladyLein startpagina
00. Start-filosofie
01. Inleiding
02. Einde van de mythen, Natuurfilosofen, Einde van het Lot
03. Sofisten, Socrates, Plato, Aristoteles
04. Hellenisme
05. De indo-europeanen, semieten en de vermenging
06. De middeleeuwen, Augustinus, Thomas van Aquino
07. Renaissance, Reformatie
08. Barok en rationalisme, Descartes, Spinoza
09. Empirisme, Locke, Hume, Berkeley
10. de Verlichting, Kant
11. Romantiek, Hegel, Kierkegaard
12. Naturalisme, Marx, Darwin, Freud
13. Schopenhauer, Nietzsche, Heidegger
14. Existentialisme, Sartre, Beauvoir
15. Twintigste eeuw
      

Het naturalisme

                                           Marx  ;  Darwin  ;  Freud

Marx, Darwin en Freud horen tot de naturalistische stroming die vanaf midden 19de eeuw tot ver in de 20ste eeuw heeft geduurd. Het naturalisme accepteert alleen de natuur en het waarneembare als werkelijkheid. De mens is een deel van de natuur. Het baseert zich op feiten die vastliggen in de natuur en niet op rationalistische speculaties of goddelijke openbaring. Volgens Marx is de ideologie van mensen een product van de materiële basis van de maatschappij. Darwin liet zien dat de mens een product is van langdurige biologische ontwikkeling. Freud bestudeerde het onbewuste en beweerde dat het doen en laten van de mens gebaseerd is op bepaalde dierlijke driften en instincten.

Marx

Toen Kierkegaard in 1841 in Berlijn was, zat hij tijdens de colleges van Schelling misschien wel naast Karl Marx (duitser, 1818 - 1883). Kierkegaard had een proefschrift geschreven over Socrates en Marx over Democritus en Epicurus, het materialisme in de oudheid. Daarmee hadden ze beiden hun koers voor hun eigen filosofie uitgestippeld. Kierkegaard werd een existentie filosoof en Marx een historisch materialist.
Maar beiden gingen uit van de filosofie van Hegel. Maar ze namen ook beiden afstand van Hegels wereldgeest of wat we Hegels idealisme noemen.

Na Hegel was de tijd van de grote filosofische systemen afgelopen. Het werd de tijd van de existentie filosofie of handelingsfilosofie. Dat bedoelde Marx toen hij zei " De filosofen hebben de wereld slechts verschillend geďnterpreteerd, het komt erop aan haar te veranderen." De ideeën van Marx hebben een praktische en politieke doelstelling. Marx was ook historicus, socioloog en econoom. Maar niet alles wat met marxisme te maken heeft heeft ook met Marx te maken. Net zoals de vraag of Jezus een Christen was. Ook Friedrich Engels en in de 20ste eeuw Lenin, Stalin, Mao en vele anderen hebben hun bijdrage aan het marxisme gegeven.

De filosofie van Marx

Marx was een filosofisch materialist zoals de atomisten uit de oudheid en de mechanistische materialisten uit de zeventiende en achttiende eeuw. Marx vond dat ons denken vooral bepaald werd door de materiele omstandigheden in de maatschappij. De materiele omstandigheden zijn ook doorslaggevend voor de historische ontwikkeling.
Hegel dacht dat geestelijke omstandigheden de oorzaak waren van materiele omstandigheden. Marx dacht dat de materiele omstandigheden de geestelijke omstandigheden veroorzaken. Dat een materiele verandering een geestelijke verandering veroorzaakt. Maatschappelijke veranderingen stuwen de geschiedenis voort.
Bijvoorbeeld: In de oudheid hadden filosofie en wetenschap een theoretisch doel. De praktijk, het werken, dat werd door slaven gedaan. Dus de voorname burgers vonden het niet nodig om praktische uitvindingen te doen om het werk te verbeteren.

Marx verdeelde de maatschappij in een basis en een bovenbouw.
- Basis: materiële, economische en sociale omstandigheden
- Bovenbouw: hoe men denkt in de maatschappij, welke politieke instellingen er zijn, welke wetten er zijn, wat voor godsdienst moraal, kunst filosofie en wetenschap er is
Er is een wisselwerking tussen basis en bovenbouw. Daarom is Marx een dialectisch materialist. Had Marx dat niet gevonden dat was hij een mechanische materialist geweest. Dialectiek is wederzijds, met twee tegenpolen.

De basis bestaat uit drie lagen:
- De productie voorwaarden van de maatschappij: de natuurlijke hulpbronnen zoals klimaat en bodem. Je kan niet op haring vissen in de Sahara.
- De productie krachten in de maatschappij: soorten gereedschap, werktuigen en machines
- De productie verhoudingen in de maatschappij: wie bezit de productie middelen en verdeelt het werk

De productiewijze bepaalt welke politieke en ideologische verhoudingen we tegenkomen in een maatschappij. In een boeren maatschappij bepaalden de ouders met wie je moest trouwen want dat bepaalde wie de boerderij zou erven. In de stad mag je zelf bepalen met wie je trouwt en waar je gaat wonen.
Wat moreel juist is is het product van de basis.
De heersende klasse in de maatschappij bepaalt wat goed en wat fout is. De hele geschiedenis is een geschiedenis van de klassenstrijd: wie bezit de productiemiddelen.
De bovenbouw heeft invloed op de basis maar de bovenbouw heeft geen eigen geschiedenis.
De veranderingen in de basis hebben de geschiedenis bepaald.

In alle fasen van de geschiedenis had je een tegenstelling:
- slavenmaatschappij: vrije burgers en slaven
- middeleeuwse feodale stelsel: feodale heer en horige boeren
- later: edelman en burger
- kapitalistische maatschappij: kapitalist en arbeider (proletariër)
Het is een tegenstelling tussen degene die de productiemiddelen bezitten en zij die ze niet bezitten. En omdat de bovenklasse zijn overmacht niet wil opgeven kan er alleen maar verandering optreden dmv een revolutie.

Volgens Marx en Hegel is er een wederzijdse of dialectische verhouding tussen mens en natuur. Als de mens de natuur bewerkt dan wordt de mens zelf ook bewerkt. De mens oefent invloed uit dmv arbeid en het arbeidsproces oefent invloed uit op het bewustzijn van de mens.
" Zeg mij wat voor werk je doet en ik zal je zeggen wie je bent. "
Iemand die geen werk heeft loopt als het ware leeg. Volgens Marx en Hegel is arbeid positief. Het houdt direct verband met het menszijn.

Marx had kritiek op de kapitalistische productiewijze: de arbeider werkt voor een ander. Op die manier wordt de arbeid iets buiten hemzelf, iets wat hem niet toebehoort. De arbeider wordt een vreemde voor zijn eigen arbeid en daardoor voor zichzelf. De arbeider raakt vervreemd.

In de tijd van Marx werden de arbeiders uitgebuit: slecht betaald, lange dagen, schechte werkomstandigheden, ook kinderen en zwangere vrouwen moesten werken om voldoende geld te verdienen om te overleven. Op die manier droeg de arbeider als een slaaf zijn hele bestaan over aan de klasse die alles bezat. Door de slechte sociale toerstanden werd de arbeider op het gebied van arbeid tot dier gemaakt ipv dat arbeid de trots van de arbeider was. Terwijl de bezittende klasse in luxe leefde.

Als reactie hierop schreef Marx met Engels een communistisch manifest. Hierin stond dat de bestaande maatschappelijke orde met geweld omver geworpen moest worden. De proletariërs hadden niets te verliezen behalve hun ketenen en een wereld te winnen.

Als de arbeider wat maakt en het wordt verkocht dan is dat de verkoopwaarde. Als je hier het loon en de productie kosten van aftrekt dan houd je de winst over. Marx noemde dat de meerwaarde. Marx noemde het uitbuiting dat de winst die door de arbeider is gemaakt door de kapitalist wordt ingepikt.

Volgens Marx zal het kapitalisme zichzelf vernietigen. De kapitalist gebruikt een deel van de winst om de productie te verbeteren waardoor hij nog meer winst maakt. De verbeterde productie zijn betere machines waardoor arbeiders steeds  minder nodig zijn. Die worden werkloos en kunnen niets meer kopen. Door de concurrentie moet het nog goedkoper gemaakt worden. Dus moeten de lonen omlaag. Ook die arbeiders kunnen niets meer kopen. De koopkracht daalt. Omdat het dan slecht gaat met de arbeiders komen de proletariërs in opstand en nemen de productie middelen over. Dan heb je tijdelijk de dictatuur van het proletariaat. En die gaat over in het communisme.

Bij het communisme zijn de productie middelen van iedereen, iedereen draagt bij naar vermogen en ontvangen naar behoefte. De arbeid is dan van het volk zelf en de vervreemding van het kapitalisme is dan niet meer.

Maar zo is het niet gelopen. Marx maakte een paar fouten. Zijn analyse van de kapitalistische crisis klopte niet en hij hield geen rekening met de uitbuiting van de natuur.

Wel kwam door hem het socialisme dat de slechte sociale toestanden verbeterde. Het socialisme verdeelde zich na Marx in twee stromingen: 
- de sociale democratie: deze stroming wilde een vreedzame en geleidelijke toenadering tot het socialisme. Deze weg volgde men in west Europa.
-
het leninisme: deze stroming hield vast aan Marx idee van revolutie. Deze weg volgde men in oost Europa en Rusland.
Maar dat werd geen paradijs. Ook het communisme wordt door mensen geleid. En daar had Marx waarschijnlijk niet aan gedacht.

Darwin

De eerste filosofen die zochten naar verklaringen in de natuur moesten zich ontdoen van oude mythologische verklaringen. Zo moest Charles Darwin (1809 - 1882 Engeland) zich bevrijden van de kerkelijke opvattingen over de schepping van mens en dier. Hij was bioloog en natuurwetenschapper en geen filosoof. Maar hij zette van alle nieuwe wetenschappers in zijn tijd de grootste vraagtekens bij de bijbelse visie over de plaats vn de mens in de schepping.

Darwin verzamelde in zijn jeugd al kevertjes en insecten terwijl hij theologie studeerde. Na zijn studie maakte hij een reis om de wereld van 5 jaar met het marine vaartuig Beagle. Deze reis werd de basis van zijn theorie.

Het belangrijkste werk van Darwin heette: "Het ontstaan van soorten door middel van natuurlijke selectie en het overleven van de bevoordeelde rassen in de strijd om het bestaan." Dit is ongeveer de samenvatting van zijn theorie.

Darwin's theorie bestaat uit twee delen:
- Het ontstaan van de soorten. Alle levende dieren en planten stammen af van vroegere primitievere soorten. Er vindt een biologische ontwikkeling plaats, de evolutie.
- Die biologische ontwikkeling is het gevolg van natuurlijke selectie. De sterksten overleven.

De evolutie gedachte was niet zo nieuw. In bepaalde kringen was het idee al rond 1800 redelijk ingebrugerd. De meest toonaangevende franse zoöloog Lamarck en Darwin's grootvader Erasmun Darwin zeiden het al. Maar de verklaring hiervoor ontbrak nog. Daarom vond de kerk ze niet gevaarlijk. Ook Plato hield zich met zijn ideeën wereld aan de bijbel: alle soorten zijn eens en voor altijd geschapen zonder te veranderen.

In zijn tijd werden er fossielen gevonden. Men vond ook resten van uitgestorven dieren. Ook vond men fossielen van zeedieren in de bergen. De wetenschap van toen dacht dat er meerdere rampen waren geweest zoals de zondvloed en dat God daarna de boel weer had vernieuwd door betere planten en dieren te scheppen. De fossielen van uitgestorven dieren waren dieren die geen plek hadden gekregen in de ark van Noach.

Darwin hield ook van geologie. Hij had op zij reis met de Beagle een boek van de engelse geoloog Charles Lyell bij zich. Die dacht dat het uiterlijk van de aarde het resultaat was van hele kleine veranderingen, zoals weer, wind, smeltend ijs, aardbevingen, waterstromen e.d, als die maar lang genoeg duurden. Darwin heeft dat idee niet meer losgelaten, dat kleine veranderingen uiteindelijk resulteren in heel iets anders als men de tijd als bondgenoot heeft.

- Darwin en geoloog Lyell dachten dat de aarde veel ouder was dan de 6000 jaar die de kerk zei. Want er was veel tijd nodig om met kleine veranderingen grote veranderingen tot stand te brengen.
- Er werden in die tijd fossielen gevonden in verschillende gesteentelagen, dus ook in lagen die erg oud waren.
- De planten en dieren waren verschillend verdeeld over de aarde. Dit had Darwin gezien tijdens zijn reis rond de wereld. Zelfs op de Galapagos eilanden die dicht bij elkaar in de buurt lagen waren op elk eiland klein verschillen te zien in dezelfde soorten. Die verschillen waren handig omdat hetzelfde soort op elk eiland ander voedsel vond en zich daaraan had aangepast.
- De foetus bij zoogdieren blijkt gelijk te zijn tot bijna het laatste moment. Dan treden pas de verschillen op in de foetus tussen de soorten. Hieruit blijkt dat alle zoogdieren in de verte familie van elkaar zijn.

Maar nu moest er nog een verklaring gevonden worden voor de werking van deze theorie: dat kleine verschillen door de tijd grote verschillen opleverden.
Zoöloog Lamarck dacht dat dieren een eigenschap ontwikkelen, zoals uitreiken naar bladeren in een hoge boom, en dat die eigenschap dan overgeërfd werd waardoor deze dieren een steeds langere nek kregen. Maar volgens Darwin waren verworven eigenschappen niet erfelijk.
Mensen willen graag de beste planten en dieren. Ze gaan daarom met de beste planten en dieren fokken. De natuur doet zoiets ook, volgens Darwin. In de natuur zijn er binnen een soort ook variaties. Het dier of plant met de beste variaties overleeft.

Darwin las het boek van Thomas Malthus Principles of populations. Die had dat boek geschreven naar aanleiding van een opmerking van Benjamin Franklin, de amerikaan die oa de bliksemafleider had uitgevonden. Franklin had gezegd dat als er geen beperkingen waren in de natuur, dan zou één plantensoort en dierensoort de aarde bevolken. Maar dat is niet zo. Omdat er meerdere planten en dierensoorten zijn houden ze elkaar in evenwicht. Malthus paste dat idee toe op de mens. De mens kan meer kinderen krijgen dan dat er kunnen opgroeien. Maar de voedselproductie kan niet zo snel groeien als dat er kinderen geboren worden. Een deel van de kinderen gaat daardoor ten onder in de strijd om het bestaan. Degenen die wel overleven en zich voortplanten zijn de besten in de strijd om het bestaan.

Voor Darwin was dat het universele principe waar hij naar zocht. De strijd om het bestaan geldt voor alle dieren en planten. Van alle dieren en planten gaat er een deel dood omdat er anders teveel van komen en daar is geen plek en voedsel voor. De sterksten of handigsten of slimsten die overleven het. En zij planten zich voort en verbeteren zo hun soort.

Wat handig is in de ene omgeving hoeft niet handig te zijn in een andere omgeving. Daardoor verschillen de soorten op de verschillende plekken van de aarde. Ook kan de omgeving veranderen waardoor anderen van de soort opeens de handigste eigenschappen hebben. Ook is er maar één soort mens. Toch heeft de mens ook variaties die aangepast zijn aan de omgeving. Bijvoorbeeld een donkere huid bij de evenaar tegen de zon en een witte huid in noordelijke donkere streken om toch voldoende vitaminen te kunnen aanmaken.

Darwin was wel gevaarlijk voor de kerk. Hij ging zover dat hij zei dat de mens van de apen afstamde en een product was van toevallige variaties en de strijd om het bestaan en niet door God gemaakt was. In zijn tijd werden er fossielen van uitgestorven mensen gevonden, zoals in Gibraltar en het duitse Neanderthal. Toch wende men aan Darwin's ideeën. Toen hij dood ging werd hij als gerespecteerd man begraven.

Maar hoe het echt werkte dat wist Darwin niet. De vraag hoe de varianten ontstaan werd beantwoord door de neodarwinisten.

Neodarwinisme

Al het leven en voortplanting draait om celdeling. Als een cel zich deelt dan heb je twee precies dezelfde cellen. Maar vaak treedt er een klein foutje op tijdens het kopiëren. Dit heet een mutatie. Storende mutaties sterven uit en toevallig handige mutaties planten zich voort.

In Engeland is een vlindersoort die berkespanners heten en op berkestammen leven. Vroeger waren die wit. Ze vielen daarom niet op op de lichtkleurige berkestammen. Soms kwam er een mutatie voor en kreeg je een zwarte berkespanner. Die viel wel op en werd meteen opgegeten. Door de industrialisatie werden de berkestammen donker van kleur door het roet dat erop bleef zitten. Toen werden de zwarte berkespanners niet meer ontdekt en werden de witte vlinders opgegeten. De vlinders werden een zwarte soort. Nu wordt er minder steenkool gebruikt en worden de berkestammen weer lichter en de vlinders ook. Dit noemt men aanpassing en is een natuurwet.

Dat kan ook voor de mens nadelen hebben. Schadelijke dieren of bacteriën worden bestreden met gif. De mutiaties die zorgen voor weerstand tegen het gif die planten zich voort. Zo krijg je soorten die resistent zijn tegen de bestrijdingsmiddelen. De medische wetenschap helpt de mens overleven. Maar daardoor wordt de natuurlijke selectie buiten spel gezet en neemt de weerstand van de mens tegen ziekten af. Als er geen rekening wordt gehouden met erfelijke hygiëne dan kan dat leiden tot degeneratie van de mens.

Maar waar kwam dan de eerste cel vandaan. Die vraag moest ook nog beantwoord worden. Darwin dacht dat de eerste cel ontstaan was in een warme vijver. De huidige wetenschap denkt dat ook. 

De meest eenvoudige definitie van leven is dat leven een materie is die het vermogen heeft zich in twee identieke delen te splitsen. Dit delen wordt gestuurd door DNA. DNA is een molekuul, een samengesteld macro molecuul. De vraag is dan ook: hoe is het eerste DNA molekuul ontstaan.

Leven is ontstaan in de tijd dat er nog geen vrije zuurstof was. Als dat er wel was geweest dan zou het DNA zijn geoxideerd: het DNA zou een verbinding zijn aangegaan met het DNA. Vrije zuurstof kwam er pas toen er planten waren die fotosynthese toepasten en vrije zuurstof als afval product maakten. Nu wordt er dus geen nieuw leven meer gemaakt. Al het leven is daarom even oud, dat wil zeggen: heeft een even lange stamboom. Een mens heeft een net zo lange stamboom als een simpele bacterie. De mens is een samenhangende kolonie van eencelligen. En elke cel in ons lichaam heeft hetzelfde DNA. Het DNA bestaat uit genen. Maar niet alle genen worden aangezet door een cel. Omdat de cellen verschillende genen aanzetten en andere genen uitzetten kunnen cellen zich specialiseren en een eigen functie krijgen.

Omdat er geen vrije zuurstof was was er ook geen ozonlaag die straling uit de ruimte tegen hield. Men denkt dat die straling een belangrijke rol heeft gespeeld bij de vorming van samengestelde molekulen. De straling leverde de energie die de chemische reacties nodig hadden om de samengestelde molekulen te vormen.

In de warme vijver, de oersoep genoemd, werd een ingewikkeld molekuul gevormd door de energie van de straling en omdat er geen zuurstof was om het te laten oxyderen (bv roesten of verbranden). En dat ingewikkelde molekuul bleek de eigenschap te hebben zich te kunnen splitsen in twee identieke delen.

Maar die deling ging vanaf het begin al niet helemaal precies goed, er traden al kleine variaties op: de mutaties. En later gingen die eencelligen zich aansluiten bij elkaar tot samengestelde meercellige organismen. De oersoep beschermde de cellen tegen de straling die wel de energie gaf maar ook schadelijk was. Toen er planten kwamen die fotosynthese toepasten kwam er ook een beschermende ozonlaag. En toen konden de levende dieren en planten uit de oersoep aan land komen.

In Goethes Faust roept de duivel: " Waartoe is het eeuwig scheppen goed als het schepsel weer verdwijnen moet? "
Hier heeft men nog geen antwoord op. Men vindt het leven toch te ingewikkeld geworden om het als alleen maar toeval te beschouwen.
Volgens de evolutie theorie is zelfs het kleinste onderdeel belangrijk. De planeet leeft en je moet je genen doorgeven aan de volgende generatie.

Freud

Sigmund Freud (1856 - 1939 Moravië in Oostenrijk Hongarije en woonde in Wenen) was, net als Darwin, ook geen filosoof. Maar je kunt hem wel een cultuur filosoof noemen. Hij studeerde medicijnen en specialiseerde zich in neurologie. Hijj ontwikkelde de dieptepsychologie en de psychoanalyse. Om te begrijpen wat een mens is moet je ook zijn theorie over het onbewuste kennen.

Freud heeft de driften van de mens ontdekt. Dat maakt hem tot naturalist. De mens is niet zo'n rationalist als de rationalisten wilden denken. De mens wordt niet alleen gestuurd door zijn verstand maar ook door zijn driften of behoeften zoals de sexuele driften. Deze driften staan in conflict met de eisen van de omgeving van de mens. Op zich niet zo nieuw maar wat wel nieuw was was dat deze driften zich kunnen vermommen of vervormen en zo het gedrag kunnen sturen zonder dat de mens dat door heeft. Ook nieuw was dat Freud zei dat kinderen ook al een soort seksualiteit kennen. Dat was zeer schokkend in zijn tijd die de preutse victoriaanse tijd was. Ook had hij door zijn werk als psychotherapeut gemerkt dan veel problemen in de jeugd zijn ontstaan. Die kan je oplossen door naar die herinneringen te zoeken. Volgens Freud bewaart de mens al zijn herinneringen uit zijn verleden ergens diep in zich. Door de trauma's weer in het bewustzijn te brengen kan de patient er mee afrekenen.

Freud heeft de menselijke geest als volgt beschreven. Een baby uit zijn driften of behoeften meteen en zonder schaamte, zoals huilen tot je melk krijgt. Dit noemt Freud het ES (het). WOrdt de mens groter dan leert hij zijn driften beheersen en zich aan te passen aan zijn omgeving. Dit noemt Freud het ICH (ik). Als we iets graag willen maar dat mag of kan niet dan verdringen we dat zodsat we het vergeten. Onze ouders en omgeving zeggen wat goed en fout is. Dit vormt in ons het über-ich (over-ik).

In Freud's tijd was sex taboe en al helemaal voor kinderen. Als kinderen vanuit hun ES aan hun geslachtsdelen zaten dan kregen ze straf. Dit leverde een levenslang conflict op tussen lust en schuld, mensen voelen zich dan schuldig als ze hun lusten voelen of uitvoeren. Als de conflicten te sterk worden dan ontwikkelt men een neurose.
Een neurose is in de psychoanalytische theorie een structureel ineffectieve manier van omgaan met problemen. Als te veel en vooral belangrijke ervaringen die voor een evenwichtige ontwikkeling nodig zijn “verdrongen” worden, kan er een psychische structuur ontstaan waardoor iemand onvoldoende in staat is om in belangrijke levenssituaties doelmatig te reageren. Bijvoorbeeld met een voor de omgeving onbegrijpelijk angstig, radeloos, onzeker en/of theatraal gedrag.

Freud beschrijft de menselijke geest als een bewuste dat het topje van de ijsberg is en een onbewuste dat de rest van de ijsberg is. Dingen die in conflict zijn met ons bewuste worden verdrongen en komen in het onbewuste. Bij een gezond systeem is het onbewuste een opbergplaats waar dingen in en uit kunnen. Maar als de inhouden strijdig zijn met het bewuste dan worden ze opgeborgen in het onbewuste en mogen ze er niet meer uit. Dit verdringen kost energie en kan nerveuze aandoeningen tot gevolg hebben.

Verdrongen inhouden kunnen voor versprekingen zorgen. Dat je toch het woord gebruikt dat je juist niet wilde gebruiken. Bijvoorbeeld aan kinderen werd gezegd dat ze niet over de grote neus van de bezoeker mochten praten. De dochter vroeg aan de bezoeker die ze koffie gaf: gebruikt u ook suiker in uw neus?

Ook rationaliseren we dingen die we eigenlijk onbewust doen. Omdat we de reden niet weten of willen weten bedenken we een wel goed gekeurde reden waarom we het doen.

Projecteren is ook iets dat mensen vaak doen. Wat ze bij zichzelf slecht vinden verdringen ze en dan maken ze zich druk als ze het bij de ander zien of ze bedenken dat ze het bij de ander zien terwijl ze zichzelf onschuldig vinden.

Je kan je onbewuste niet buiten sluiten. Mensen willen graag vervelende dingen buiten sluiten. Dingen die heel erg vervelend zijn worden trauma's genoemd. Die zijn zo vervelend dat de patient ze niet alleen onder ogen durft te komen. Dan kan de patient ze met een therapeut onder ogen komen waardoor ze daarna niet meer storen vanuit het onbewuste omdat ze bewust en verwerkt zijn.

Een techniek om onbewuste inhouden naar boven te krijgen is de door Freud ontwikkelde vrije associatie. De patient ligt dan ontspannen en praat vrij over alles wat er bij hem op komt hoe onbelangrijk, toevallig, vervelend of pijnlijk het ook lijkt.

Een andere belangrijke weg naar het onbewuste vond Freud de dromen van mensen. In de dromen proberen onbewuste inhouden door te dringen in ons bewuste. De dromen willen wensen vervullen. Je droomt over wat je wenst. Kinderen dromen vaak over lekkere dingen zoals ijs en taart. Bij volwassenen treedt er ook in de dromen censuur op en zijn de dromen vermomd. Je moet de betekenis van de droom zien te begrijpen. Dromen gebruiken beelden die je opgelopen hebt, de manifeste droominhoud genoemd. Maar de werkelijke betekenis die moet je zien te vinden, de latente droonmgedachte genoemd. De patient moet zelf de droom duiden met behulp van de therapeut.
Een voorbeeld uit Freuds tijd: een jonge man droomt dat hij twee ballonnen krijgt van zijn nichtje. Die ballonnen heeft hij misschien de dag ervoor op de kermis gezien. Dat is de manifeste droominhoud. Maar de latente droomgedachte kan zijn dat hij zijn nichtje wil hebben en dat de ballonnen twee borsten zijn. Maar voor die wens schaamt hij zich. Dromen werken nu nog zo ook al mogen we seksueel nu meer dan vroeger. Er valt ook nu nog genoeg te verdringen aan pijnlijke ervaringen.

Dromen zijn belan grijk. Als men steeds gestoord wordt tijden het dromen dan raakt men geïrriteerd.

In Freuds tijd was ook het surrealisme in bloei. De kunstenaars probeerden beelden uit hun onbewuste te gebruiken in hun kunst. De kunstenaar moest proberen de censuur van zijn bewuste uit te schakelen.
Inspiratie is als de deur van het onbewuste naar het bewuste open staat.

Creativiteit is dat de fantasie samen werkt met het verstand. Vaak verstoort het verstand de fantasie. Maar zonder fantasie ontstaat er niets nieuws. Maar alleen fantasie levert een nutteloze brei op. Daarom moeten ze samen werken. De fantasie levert de nieuwe dingen en het verstand moet er een selectie uit maken en toepassen. Creativiteit is een samenspel tussen ziel en rede.