ladyLein startpagina

00. Start-filosofie

01. Inleiding

02. Einde van de mythen, Natuurfilosofen, Einde van het Lot

03. Sofisten, Socrates, Plato, Aristoteles

04. Hellenisme

05. De indo-europeanen, semieten en de vermenging

06. De middeleeuwen, Augustinus, Thomas van Aquino

07. Renaissance, Reformatie

08. Barok en rationalisme, Descartes, Spinoza

09. Empirisme, Locke, Hume, Berkeley

10. de Verlichting, Kant

11. Romantiek, Hegel, Kierkegaard

12. Marx, Darwin, Freud

13. Schopenhauer, Nietzsche, Heidegger

14. Existentialisme, Sartre, Beauvoir

15. Twintigste eeuw

      

Einde van de mythen

       Einde van de mythen, de natuurfilosofen, einde van het Lot

Einde van de mythen

Mythen: een wankelmachtsevenwicht tussen goede en kwade krachten. (goden die reuzen en monsters bestrijden)

Met filosofie bedoelen we een manier van denken die omstreeks 600 jaar voor Chr. is ontstaan. Voor die tijd gaven de verschillende godsdiensten antwoord op de vragen die mensen stelden door middel van mythen. Een mythe is een verhaal over  goden waarin een verklaring wordt gegeven waarom het leven en de natuurprocessen zijn zoals ze zijn.
(het is winter want de godin van de vruchtbaarheid is ontvoerd naar de onderwereld) Mensen willen een verklaring. Als ze niets weten (er was nog geen wetenschap) dan verzinnen ze wat.

Homerus en Hesiodus schreven omstreeks 700 voor Chr. veel mythen op. Daardoor kon je er over gaan discussiëren. De eerste griekse filosofen zeiden dat de goden veel op de mensen leken omdat ze net zo egoïstisch en onbetrouwbaar waren. Dat was voor het eerst dat er werd gezegd dat de mythen alleen maar menselijke voorstellingen waren.

Xenophanes 670 voor Chr. was zo'n criticus. Hij zei dat de mythen alleen maar menselijke voorstellingen waren omdat bij negers de goden eruit zien als negers, bij  blanken ze eruit zien als blanken, en als leeuwen goden zouden hebben dan zouden ze eruit zien als leeuwen.

In die tijd ontstonden er stadstaten. De slaven deden het werk en de vrije mensen konden hierdoor zich bezig houden met politiek en cultuur. In deze stadstaten vond een sprong in de denkwijze van mensen plaats. I.p.v. een mythische denkwijze ontstond er een manier van denken die op ervaring en verstand was gebaseerd. De eerste filosofen stelden zich als doel om natuurlijke verklaringen te vinden voor de natuurprocessen.

De natuurfilosofen

Project van de natuurfilosofen: 
De eerste filosofen stelden zich als doel om natuurlijke verklaringen (i.p.v. mythen)  te vinden voor de natuurprocessen. 

De natuurfilosofen heten zo omdat ze zich bezig hielden met de natuur en de natuurprocessen.
Ze vroegen zich niet af hoe iets uit niets kon ontstaan. Ze dachten dat iets er altijd al was geweest. 
Ze vroegen zich af hoe water in levende vissen kon veranderen en hoe levenloze aarde in hoge bomen en gekleurde bloemen kon veranderen. Ze zagen voortdurend veranderingen in de natuur plaats vinden. Hoe waren zulke veranderingen mogelijk.

Ze dachten dat er een oerstof was waaruit alles ontstond en weer naar terug ging. Die oerstof was de oorzaak van alle veranderingen in de natuur. 

Drie natuurfilosofen uit Milete
Thales: hij dacht dat de oorsprong water was. Hij was in Egypte geweest en had gezien hoe alles begon te leven nadat de Nijl na een overstroming zich weer terug trok.
Anaximande: hij dacht dat de wereld slechts één van vele werelden was die kwamen en vergingen in het "grenzeloos onpeilbare"
Anaximenes (570-526 voor Chr.): hij dacht dat lucht of nevel de oerstof moest zijn. Dat water samengeperste lucht was en als je dat nog verder samenperst dan wordt het aarde. En vuur is verdunde lucht.

Het veranderingsprobleem
Ze dachten dus dat er één oerstof is waaruit al het andere was ontstaan. Maar hoe kan dan een stof veranderen in een geheel andere stof. Dit is het veranderingsprobleem genoemd. 

Eén van de griekse Eleaten in Zuid Italië : 
Parmenides (540-480 voor Chr.): hij zei dat "niets kan uit niets ontstaan". Dus is het er al. Er verandert dus niets. Onze zintuigen hebben het mis. Hij vond het als zijn filosofische taak om alle vormen van zintuiglijk bedrog te ontmaskeren. Hij deed niet aan  "ik geloof het pas als ik het zie". Zelfs dan geloofde hij het niet.  Het verstand had gelijk vond hij. Hij was de eerste (?) rationalist.

Heraclitus (540-480 voor Chr.) uit Eohesus in Klein Azië: hij dacht "alles stroomt". Alles is in beweging en niets blijft hetzelfde. Na een paar seconden is alles al veranderd. Hij wees erop dat er in de wereld voortdurend tegenstellingen zijn. Daarom ben je je bewust van de dingen. Omdat je honger kent ben je blij dat je wat gegeten hebt. Zowel het goede als het kwade zijn een noodzakelijk deel van het geheel. God is alle veranderingen. Maar hij gebruikte het griekse woord Logos voor god. En dat betekent rede. Hij dacht dat er een wereld verstand moest zijn. Dit leverde de ordening in de voortdurende veranderingen.

Een groot meningsverschil dus tussen Parmenides met niets veranderd en zintuiglijke indrukken zijn onbetrouwbaar en Heraclitus met alles verandert continue en zintuiglijke indrukken zijn wel betrouwbaar.

Empedocles (494-434 voor Chr.) uit Sicilië: hij dacht dat  het meningsverschil kwam omdat ze er van uit gingen dat er maar één oerstof bestond. Parmenides had gelijk met niets verandert (water wordt geen vis) maar Heraclitus had gelijk met dat je wel je zintuigen kon vertrouwen. 
Oplossing: er waren vier oerstoffen, de vier elementen: vuur aarde lucht water.Alles ontstond, alle veranderingen vonden plaats doordat deze vier elementen werden vermengt  en weer werden ontbonden (zoals je met de paar basis kleuren alle kleuren kan maken, dat lukt niet met maar één kleur)
Daarna kwam de vraag: waardoor komt dat mengproces op gang zodat er nieuw leven ontstaat?
Volgens Empedocles waren er twee krachten in de natuur, liefde en haat. Wat alles verbindt is liefde en alles ontbindt is haat.
Hij was de eerste (?) die verschil maakte tussen de grondstoffen en de natuurkrachten.

Anaxagoras (500-428 voor Chr.): Hij dacht ook dat één oerstof te weinig was. Maar hij dacht ook dat vier elementen te weinig waren. Hij dacht dat de natuur opgebouwd was uit vele piepkleine deeltjes. In elk deeltje zit iets van alles. zoals in een cel de informatie zit van het hele lichaam en niet alleen over de functie van die cel.  "iets van alles zit in alles". Deze deeltjes noemde hij zaden of kiemen. 
Ook Anaxagoras geloofde in een kracht die dat allemaal regelde: hij noemde die kracht "geest"of "intelligentie" (nous)

Democritus(460-370 voor Chr.): De laatste natuur filosoof, uit Abdera (noordkust Egeïsche Zee)
Hij vond ook dat veranderingen in de natuur niet ontstonden omdat er iets echt veranderde. Daarom moest alles zijn opgebouwd uit enkel kleine onzichtbare bouwstenen die allemaal eeuwig en onveranderlijk waren. Deze kleinste deeltjes noemde hij atomen. Het woord atoom betekent ondeelbaar.  De atoomtheorie: atomen in een lege ruimte. Ze zijn verschillend zodat je ze kan combineren tot verschillende dingen en kan veranderen in andere dingen.
Als niets kan veranderen, niets uit niets kan ontstaan en dat niets verdwijnt dan kan het niet anders dat alles in opgebouwd met atomen.
Er was niets dat met atomen ging bouwen. Hij geloofde alleen in atomen en was daarom een materialist.
Er zit geen bewust doel achter de bewegingen van de atomen. In de natuur gebeurt alle mechanisch. Maar niet toevallig, alles gebeurt volgens de natuurwetten.
De mens bezit geen onsterfelijke ziel. De ziel bestaat uit ziele-atomen die alle kanten opvliegen na de dood en dan weer met andere ziele-atomen een nieuwe ziel kunnen vormen. De ziel is verbonden met de hersenen en dat zorgt voor bewustzijn. Zonder hersenen geen bewustzijn.

Einde van het LOT

Bijgeloof weg werken. 
In plaats van mythen probeerden men natuurlijke verklaringen te vinden voor de veranderingen in de natuur.  
Voor ziekte, gezondheid en politieke gebeurtenissen geloofden de grieken in het lot.

Geloven in het lot betekent dat je gelooft dat alles voorbestemd is. Je kan je lot leren kennen door kaartlezen, handlijnen lezen, astrologie e.d. Maar ook door een orakel. De grieken hadden het beroemde orakel van Delphi. De orakelgod was Apollo en hij sprak via de priesteres Pythia. Ze zat in een stoel boven een kloof waaruit giftige damoen kwamen. Ze antwoordde onbegrijpelijk en de priesters moesten uitleggen wat ze bedoelde. Staatslieden raadpleegden eerst het orakel waardoor de priesters veel invloed hadden op de politiek.
Boven de tempel van Delphi stond "KEN UZELF", niemand kan zijn lot ontlopen.. Veel mensen werden door hun lot ingehaald. Men schreef daar verhalen over. Het bekendste verhaal is dat over koning Oedipus.
Zowel het leven van personen als de wereld geschiedenis werd door het lot bepaald. Goden konden ingrijpen in oorlogen en zo de afloop beïnvloeden. 

Terwijl de griekse filosofen natuurlijke verklaringen zochten voor veranderingen in de natuur begon er zich een geschiedeniswetenschap te vormen die natuurlijke oorzaken voor de wereld geschiedenins probeerde op te sporen. Een oorlog verliezen kwam niet meer door wraak van een god. De bekendste geschiedschrijvers zijn:
Herodotus (460-400 voor Chr.)
Thucydides (460-400 voor Chr.)

Ook dat je ziek werd was straf van de goden. Influenza (griep) betekent dat iemand onder kwade invloed van de sterren staat. Maar nu probeerde men ook natuurlijke oorzaken van ziekte en gezondheid te vinden. Grondlegger van de griekse medische wetenschap was: Hippocrates (460 op het eiland Kos geboren)
Volgens Hippocrates was de beste bescherming tegen ziekte matigheid en een gezonde leefwijze. Gezond zijn was natuurlijk en ziekte was omdat lichaam of ziel in onbalans was. Hippocrates was ook de grondlegger van de medische ethiek: de eed die artsen moeten afleggen over zijn kennis zo goed mogelijk toepassen, geheimhouden van feiten over patiënten, geen sex met patienten, geen dodelijk vergif geven aan iemand die erom vraagt.